Servaes Nouts (2008)

Klokkenist van het Stadhuis op de Dam

De gemeente Amsterdam, bij monde van wethouder J.N. Van Hall, besloot op 13 oktober 1897, bij gemeenteraadsbesluit volgnummer 90, de straat ‘tusschen de Ceintuurbaan en de Hoedenmakerskade’ te verbinden met de naam van Servaes Nouts.

Het is echter niet eenvoudig de reden te achterhalen van dit besluit, noch om informatie over Nouts te vinden. Hoeveel ‘s’-en staan er in zijn zijn naam? Waar kwam hij vandaan? Minstens drie verschillende namen, twee beroepen, talloze woonplaatsen, en evenzovele smeuïge familieperikelen, die destijds aanleiding moeten hebben gegeven voor roddel en achterklap, zijn aanleiding voor een speurtocht naar de persoon die schuil gaat achter de naam Nouts.

Michiel Servaesz. Nouts, zoals één van zijn namen luidt, werd op 13 april 1628 in Delft geboren als zoon van schilder Servaes Michielsz. Nouts. Het schilderen zat de familie in het bloed. Zijn overgrootvader was vermoedelijk de Brabantse schilder Servaes. Zijn grootvader Michiel Servaesz. Nouts, naar wie hij werd vernoemd, was ‘platielbacker oft tegelschilder’. Uit angst voor het Spaanse schrikbewind was deze waarschijnlijk uit Antwerpen naar Delft vertrokken, waar hij zich in 1611 liet inschrijven als poorter in Delft.

Het schildertalent van de jonge Servaes valt af te lezen aan ‘Portret van een vrouw’ uit 1656, het enige schilderij dat bekend is van zijn hand. In datzelfde jaar verhuisde hij naar Amsterdam, en verdiende de kost met ‘speulen op bruyloften’. Met nog drie andere spelers sluit hij een contract waarin onderling wordt geregeld waar en tegen welk bedrag men speelde voor gezelschappen en op feesten. In 1657 verkreeg hij in Amsterdam door betaling van ‘het kleine poortergeld’ de poorterrechten van de stad, die in die tijd belangrijk waren en meer status, aanzien en rechten gaven dan burgerrechten.

Nouts Portret

Michiel Servaesz. Nouts: 'Portret van een vrouw' (1656), Rijksmuseum Amsterdam

Dit kniestuk is thans in het bezit van het Rijksmuseum Amsterdam en laat een vrouw zien, zittende op een stoel, met haar handschoenen in de linkerhand. Dat dit schilderij van Nouts hand is, zien we aan het opschrift ‘Michiel. Nouts Me. fecit. 1656’. Het is een kniehoog portret van waarschijnlijk Marritje Eduwarts (Eduwaerts) van Uytrecht, de eerste vrouw van Nouts, zo luidt de veronderstelling van B.Bijtelaar, die zich baseert op A.Bredius, auteur van ‘Amsterdam in de zeventiende eeuw’. Bijtelaar ziet in de geportretteerde vrouw een ‘bijdehande’ dame, veel ouder dan de 28-jarige schilder op dat moment. Te zien is de heldere maar ietwat kille en wantrouwige oogopslag van een vrouw van middelbare leeftijd, geschilderd in een stijl die wel doet denken aan Johannes Vermeer, vier jaar jonger dan Nouts. Michiel heeft waarschijnlijk de kunst van het schilderen van Vermeer geleerd, of tenminste goed bij de grootmeester meegekeken. Bredius vermeldt in het jaar 1901 Servaes Nouts slechts als schilder. Twintig jaar later stelt Bredius vast dat Nouts ook klokkenist was.

Voor de inzegening van hun huwelijk op 27 september 1657 ‘compareerden’ voor het kerkintekenregister Michiel Servaes Nouts van Delft ‘out 36 jaren’ & Marritje Eduwarts. Curieus is het feit dat Nouts Marritje had geportretteerd voordat zij zijn vrouw werd. Tevens curieus is de leeftijd die Nouts opgeeft. Dat zijn vrouw vele jaren ouder was dan hij viel hem niet gemakkelijk. Dit moge blijken uit het feit dat hij zijn leeftijd heeft proberen te verdoezelen door ‘36’ op te geven in plaats van de 29 waar hij recht op had. Het is aannemelijk gezien dit leeftijdsverschil en het feit dat zij weduwe was, dat het huwelijk gearrangeerd was, en het valt te betwijfelen of het huwelijk geslaagd valt te noemen.

In die tijd woonde het echtpaar aan de Raamgracht, alwaar de protocollen van notaris Westfrisius gewag maken van een ordinaire buurtruzie die plaats vond op 25 april 1663, waar Marritje bij was betrokken. Het betrof een zodanig heftige ruzie dat het de annalen haalde. De vrouw van Nouts kreeg het op straat aan de stok met één der leden van een regentenfamilie waarbij ze heftig te keer ging, er op los schold en ‘slaande argumenten gebruikte’. Dit voorval kwam Nouts niet goed uit, daar hij inmiddels een erkend en gerespecteerd kunstenaar was in dienst van de stad Amsterdam.

Het liep echter met een sisser af, omdat de protocollen van de de Kerkenraad niets vermelden over dit incident. En dat is maar goed ook als je bedenkt dat de kerk in die tijd het als zijn plicht zag kiftende echtelieden te ontbieden en te onderhouden over hun gedrag. Het mag dan ook verbazing wekken dat juist deze eerste jaren van zijn huwelijk met Marritje beslissend waren voor zijn carrière.

Stadhuisklokkenist

Nouts was vastberaden, had vechtlust en werd na lang onderhandelen op 10 januari 1659 benoemd tot stadhuisklokkenist, tonnist (iemand die op de speeltrommel de kwartiermelodieën met metalen pennen aangeeft) en later tot stadsspeelman in Amsterdam. Het klokkenspel stond, volgens Bredius (1901) ‘in de 17e eeuw te Amsterdam zóó hoog in aanzien, dat de mannen die zich er op lieten hooren, er alle aanspraak op hebben in herinnering te worden gebracht’. Daarmee behoorde Nouts tot de eerste generatie klokkenisten in het Nederland van de zeventiende eeuw. Maar Nouts was een klokkenist zonder klokken, zo bleek. Het kersverse Stadhuis op de Dam, afgebrand in 1652, was nog maar onlangs herrezen. Het was pas zes jaar later dat hij de klokken gegoten door de gebroeders François en Pierre Hemony uit Zutphen zou bespelen.

Ter illustratie van het belang en vooral de schoonheid van het klokkenspel uit die tijd, liet Joost van den Vondel (1587-1679) zich inspireren tot een gedicht na het horen van het klokkenspel op het Stadhuis, bespeeld door de gieter van de klokken zelf:

De Stadthuistoren stelt zijn kunstigh klockwerk, rijck
Van klanck. Hemoni speelt een hemelsch klockmuzijck
Zoo snel, gelijck een luit, of Swelings orgelpijpen,
En snellen cimbeltoon, met vingeren te grijpen.
Hier blazen schuiftrompet en kromme en rechte fluit
Orlandoos grooten geest ter heerenvenstren uit.
Ter eere van de Wet, en burgerwandelaeren,
Verquickt door bly muzijck, in ongeruste maeren
Van oorloge of tempeest.

(Joost van den Vondel, Inwydinge van ’t Stadthuis ’t Amsterdam, 1655)

In de tussentijd verving Nouts medeklokkenist Salomon Verbeeck en nam diens plek in als klokkenspeler op de Zuidertoren. In dat zelfde jaar 1665 overleed zijn vrouw Marritje, zonder kinderen na te laten. Ze werd begraven in diezelfde Zuiderkerk.

Nouts werd Nuyts

In deze periode, ergens tussen 1658 en 1662 is Nouts van naam veranderd. Hij zocht aansluiting bij een rijk Amsterdams regentengeslacht, en nam de naam Nuyts aan. Vanaf dit moment is zijn naam in de geschiedenis steevast Michiel Nuyts. De details van zijn naamsverandering zijn nooit achterhaald, en het is daarom slechts aannemelijk dat hij zich heeft willen laven aan de uitstraling die deze naam bezat. Wilde hij wellicht de klerken van het stadhuis om de tuin leiden? Wilde hij soms afrekenen met de naam die verbonden zou blijven met zijn vrouw? Op bezoekers maakte de naam Nuyts in ieder geval een veel betere, regentlijke indruk dan zijn oorspronkelijke naam. De naam streelde wellicht ook zijn ijdelheid en het schilderij van hem gemaakt door Van der Helst getuigt hiervan.

Lodewijk-van-der-Helst

Bartolomeus van der Helst: ‘Michiel Servaesz. Nuyts’ (1670), Amsterdam Museum

Cinq

Na de naamsverandering van Nouts, schilderde Lodewijk van der Helst (1642-1684), de zoon van zijn veel beroemdere vader en leermeester Bartolomeus van der Helst (1613–1670) van hem het portret met de titel ‘Michiel Servaesz. Nuyts’ dat zich thans bevindt in het Amsterdams Historisch Museum. Het schilderij dateert van 1670 en laat een zittende man zien in zwarte, zeventiende-eeuwse kledij: een wijde jas met witte, liggende kraag met daaronder een witte kwast, en witte, wijde ondermouwen. In de bepaald stevige rechterhand houdt hij een hoorn of kornet, ook wel ‘cinq’ genaamd, een blaasinstrument met vijf gaatjes. Achter hem hangt een rood gordijn dat naar opzij is gedrapeerd. Daarachter zijn de contouren van het Paleis op de Dam te zien, destijds het Stadhuis. In dit schilderij heeft de schilder het belang willen onderstrepen van Michiel Nuyts als muzikant, stadsspeelman en de eerste klokkenist van het Stadhuis op de Dam van Amsterdam. Zijn linkerhand houdt hij in zijn zij geplaatst en kijkt de toeschouwer recht in de ogen. Een ingetogen maar zelfverzekerde glimlach toont een vastberaden man.

Dat dit schilderij inderdaad Michiel Nouts voorstelt is pas aan het einde van de negentiende eeuw komen vast te staan. Aan de man op het portret werd drie keer eerder een andere identiteit verbonden: voor 1876 stond het bekend als een telg uit het Hinlopen-geslacht. Nadien dacht men dat het schilderij kunstenaar Jacob van Campen (1596–1657) voorstelde, waarna de man wederom een andere identiteit kreeg, namelijk die van Salomon Verbeeck, van 1685 tot 1693 klokkenist van de Oudekerks-  en Regulierstoren (de huidige Munttoren).

Berooid

Nuyts mag er dan in 1670 fier en onbevreesd hebben uitzien op het schilderij, reden hiertoe had hij toen nog allerminst. Zijn status als klokkenist had hij veilig weten te stellen, en ook wist hij zich beschermd door zijn nieuwe naam. Zijn inkomen echter, of liever gezegd het ontbreken hiervan, baarde hem steeds grotere zorgen. De burgemeester van de stad had hem nog steeds niet naar behoren voor zijn diensten beloond. Na de dood van zijn vrouw, werd Nuyts’ bestaan er ook niet gemakkelijker op. Marritjes bezittingen gingen terug naar haar familie en Nuyts bleef arm achter waarna hij zich gedwongen zag te verhuizen van de Raamgracht naar de Korte Koningsstraat, in die tijd een mindere buurt van Amsterdam. Nuyts toonde zich een onbekwame zakenman, en liet zich in de luren leggen door de gewiekste Amsterdamse handelaarsklasse. Hij werd door de stad Amsterdam afgescheept met slechts 275 gulden per jaar voor het stadhuis, zonder verdere tegemoetkomingen in bijvoorbeeld de woonkosten. Dat was een slechte deal. Bekende Amsterdamse kunstenaars als bijvoorbeeld Henrik de Keyser en Sweelinck werden veel beter behandeld en hadden recht op vrij wonen.

Genoegdoening

Gelukkig waren het in de gemeenteraad van het Amsterdam van de zeventiende eeuw niet allemaal gewiekste lieden. Burgemeester Witsen heeft later verklaard dat hij zich schaamde voor zijn collega’s in de raad, en dat hij vond dat Nuyts evenveel moest verdienen als Verbeeck, de klokkenist op de Oudekerkstoren. Intussen was Nuyts wakker geworden, toonde zich een beter handelsman en protesteerde tegen de ongelijke behandeling die hem ten deel was gevallen. Op 1 januari 1669 was de stand tussen de immer met elkaar overhoop liggende regenten en de kooplieden verantwoordelijk voor het welvaren van de stad zo gunstig, dat Nuyts volledig voor zijn diensten aan de stad werd vergoed. Delftenaar Nuyts had geleerd van deze periode en bekleedde een positie van dezelfde allure als andere kunstenaars. Vrij wonen had hij echter nog niet.

Ruim een week later ging de gelukkige Nuyts in ondertrouw met zijn veel jongere buurmeisje uit de Korte Koningsstraat, Gesina Gerritsdochter Vos uit Kampen. Hij was in dat jaar 41 jaar oud, zij 24. Het ligt voor de hand te speculeren dat hij de herinnering aan zijn vorige huwelijk wilde uitwissen door met een veel jongere deerne te trouwen. Ze verhuisden kort daarop naar de Wolvenstraat en het ging hen voor de boeg: hij was inmiddels bespeler van de Stadhuiskoepel en de Zuidertoren, was benoemd tot één van de zes ‘stadsspeellieden’ en hij verzorgde  het onderhoud van de uurwerken van de Beurs, de Jan Roodenpoorts-, de Haringpakkers-  en Montelbaanstoren. Het ging de klokkenist zelfs zo voor de wind dat hij in 1683 het opwinden van de klokken van deze torens, een tijdrovend werkje, overliet aan Timon Klein.

Gevierd

Vanaf de dood van zijn collega klokkenist van de Oudekerkstoren en de Munttoren, Salomon Verbeeck, in 1685, was Nuyts de belangrijkste klokkenist van Amsterdam en hij genoot van de roem en het aanzien. Vele voorname buitenlands gasten die een bezoek brachten aan het Stadhuis, waaronder de afgezant van de Russische Tsaar Peter de Grote, prins Jacob Dolgorouky, waren onder de indruk van het klokkenspel op het Stadhuis.

Op 13 juli 1693 overleed op vijfenzestigjarige leeftijd Michiel Nuyts, ‘klockespeelder van den Suydertoorn en stadsmusicant’. Zijn veel jongere vrouw overleefde hem nauwelijks vier maanden en overleed in november van datzelfde jaar. Beide echtelieden werden begraven in de Zuiderkerk. Het klokkenspel daarvan werd vanaf die tijd bespeeld door Cornelis van Dort, en zijn rol van klokkenist op het Stadhuis werd overgenomen door Dirck van Neck.

Bibliography

  • Amsterdams Historisch Museum, met dank aan Frans Oehlen (Afdeling Collectie), Joyce Edwards (fotoafdeling)
  • Rijksmuseum Amsterdam, met dank aan Bas Nederveen (Documentalist, Afdeling Collectieregistratie & Documentatie), Cécile van der Harten (Hoofd Afdeling Beeld)
  • Bijtelaar, B. – De Zingende Torens van Amsterdam, Amsterdam 1947, blz. 148-157
  • Blankert, A. – Amsterdams Historisch Museum, Schilderijen daterend van voor 1800, voorlopige catalogus, Amsterdam 1975/1979
  • Bredius, A. – Schilders-musicanten, in: Oud Holland 38e jaargang, derde aflevering, Amsterdam 1920, blz. 180-183
  • Bredius, A., D.F. Scheurleer – Amsterdam in de zeventiende eeuw, ’s-Gravenhage 1901-1904, p.36-38
  • Briels, J. – Vlaamsche Schilders en de Dageraad van Hollandsch Gouden Eeuw, Antwerpen (Mercatorfonds), 1997, p.365
  • Frijhoff, W. (red.) – Geschiedenis van Amsterdam, centrum van de wereld, deel II: 1578-1650, Amsterdam, 2004, p.356-357
  • Hoek Ostende, J.H. van den  - “M.G. Emeis, Het paleis op de Dam, De geschiedenis van het gebouw en zijn gebruikers” (boekbespreking) in: Amstelodamum, maandblad voor de kennis van Amsterdam. Orgaan van het Genootschap Amstelodamum, 69e jaargang, nr. 2 maart/april 1982, p. 46
  • Verslag van den Toestand der Gemeente Amsterdam gedurende het jaar 1897, Amsterdam ter Stadsdrukkerij 1898

Source

social linkedin box white 24social facebook box white 24text: Godi Dijkman | research: www.nusapenida.nl